Zo werkt de integrale gebiedsaanpak

In de Integrale Gebiedsaanpak zorgen we dat we in de eerste fase een zo volledig mogelijk overzicht krijgen van relevante actoren, opgaven, ambities en doelen voor een bepaald gebied. Omdat er heel veel relevante beleidsopgaven bestaan, heeft het Louis Bolk Instituut een tool gemaakt die als eerste checklist kan dienen (zie figuur 1: Duurzame Doelen Checklist). Op die manier worden geen belangrijke aandachtgebieden vergeten.

Naast de thema’s uit deze checklist moet er ook ruimte blijven om via contact met lokale actoren nog specifieke, lokale doelen toe te voegen. Na helder te hebben wat opgaven voor het gebied zijn en waar de prioriteiten worden gelegd, kan begonnen worden met het maken van de eerste plannen.

Gezonde regio illustratie

Figuur 1. Duurzame Doelen Checklist. Ontwikkeld door het LBI als instrument voor een integrale gebiedsaanpak.

Gebiedsplannen

Vanuit de gestelde doelen kan gestart worden met het maken van gebiedsplannen, waarin bijvoorbeeld de landschappelijke inrichting en randvoorwaarden voor het landgebruik worden bepaald. Hierbij wordt zo veel mogelijk gestreefd naar synergie tussen de verschillende doelen. Daar waar synergie niet goed te vinden is, worden duidelijke prioriteiten gesteld voor de verschillende deelgebieden. Deze gebiedsplannen worden bij voorkeur gemaakt met alle gebiedspartners tezamen, zodat iedereen bewust is van de volledige gebiedsopgave en maximaal gebruik wordt gemaakt van de creativiteit en expertise vanuit de verschillende belanghebbenden. Bij het tot stand komen van deze gebiedsplannen wordt begonnen met de grootste schaal (het gebied in aansluiting met de directe omgeving) en wordt steeds verder ingezoomd (soms tot op perceelsniveau) om inrichting en gebruik zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.

In meerdere projecten heeft het Louis Bolk Instituut ervaring opgedaan in het opstellen van zulke gebiedsplannen. Dit is onder andere toegepast bij het Buijtenland van Rhoon.

Uitvoering, innovatie, onderzoek en monitoring

Na de planvorming volgt de uitvoering, in de huidige praktijk vaak bestaand uit een inrichtings- en beheerfase. In de inrichtingsfase worden waterlopen aangepast, percelen afgegraven of opgehoogd en bosschages aangeplant. In de daaropvolgende beheer- of gebruiksfase vindt overdracht van de grond op de eindgebruiker plaats. Dit gebruikelijke model werkt erg goed wanneer één of slechts enkele doelen centraal staan en de effecten van de gebiedsplannen goed worden overzien doordat dit in andere gebieden reeds heeft plaatsgevonden. Voor meer complexe gebiedsprocessen waarbij echt regionaal maatwerk moet worden gevonden en vooral waar nieuwe mengvormen van landgebruik als doel worden gesteld, is de relatie tussen ontwerp en effect niet altijd goed van tevoren in te schatten. Hier is een veel flexibelere vorm van inrichting en beheer nodig, waar ook volop ruimte is voor experimenteren en innoveren, zowel in het landschappelijke ontwerp als in het beheer en gebruik hiervan. Deze meer flexibele vorm van inrichten en beheren vraagt echter wel om een goede monitoring van de resultaten tijdens de uitvoeringsfase. Voor deze monitoring heeft het LBI, vaak in samenwerking met andere partijen, sets van Kritisch Prestatie Indicatoren (KPI’s) ontwikkeld die inzicht kunnen geven in de vorderingen. Ook hier geldt weer dat deze KPI’s zo gekozen en mogelijk aangevuld kunnen worden dat deze het beste aansluiten bij de voor het gebied gestelde doelen.

Evaluatie en aanpassingen aan de gebiedsplannen

Om het integrale gebiedsproces te vervolmaken is er in een jaarlijkse of meerjarige cyclus ook een evaluatie nodig om te bepalen of de gebiedsplannen er voor zorgen dat de gestelde doelen bereikt worden. Deze evaluatie gebeurt op basis van de monitoring en resultaten van onderzoek. Uit meerdere gebiedsprocessen waar het Louis Bolk Instituut bij betrokken is, of is geweest, blijkt dat het ook in deze fase erg belangrijk is dat een zo groot mogelijke groep van belanghebbenden deelneemt aan deze evaluatie en ook weer mee kan denken over mogelijk, noodzakelijke aanpassingen in de gebiedsplannen.

Geen lineair, maar een cyclisch proces

Omdat elk gebied uniek is en zijn eigen belangen en doelen kent, is er nooit echt sprake van een beproefde blauwdruk. Gebiedsplannen moeten zich dus altijd in een proces van uitvoering, evaluatie en bijstelling blijven bevinden (figuur 2). Daar hoort ook bij dat de gezamenlijk gestelde doelen om de zoveel tijd moeten worden bekeken om te zien of aanpassing nodig is. Dit hele proces kan gezien worden als een proces van lerend inrichten of lerend beheren dat onder andere toegepast is in het herinrichtingsgebied Buijtenland van Rhoon.

 

Illustratie cyclisch proces

 

Figuur 2. Geen lineair, maar cyclisch proces