Verbinding tussen landbouw en natuur zorgt voor een mooiere wereld

In het Buijtenland van Rhoon komen modern agrarisch ondernemerschap en natuurbeheer optimaal bijeen. Het Louis Bolk Instituut is nauw bij deze unieke gebiedsontwikkeling betrokken. Op 600 hectare, ingesloten door het oprukkende Rotterdam, ontstaat momenteel ruimte om te werken, recreëren en van de natuur te genieten. De grote potentie aan mogelijkheden die dit qua omvang beperkte gebied bezit, komt vooral tot bloei door de uitgekiende inrichting van het landschap, leggen Udo Prins en Dennis Heupink uit. Zij waren, samen met de kennispartners, betrokken bij de begeleiding van de ontwikkeling van het Buijtenland van Rhoon. Zowel biodiversiteit als mens is bij kleinschaligheid gebaat, is een van hun boodschappen.

Sinds de Tweede Wereldoorlog leken natuur en agrarisch ondernemerschap elkaar steeds verder uit te sluiten. De kentering kwam in de jaren zeventig toen de kennisbehoefte in de biologische sector groeide. De visie brak baan dat maximalisatie van voedselproductie ook onbedoelde bijeffecten kon hebben. Door het verrichten van praktisch onderzoek, het delen van kennis en het geven van gerichte adviezen, speelde het Louis Bolk Instituut een prominente rol bij het weer meer met elkaar verbinden van landbouw en natuur. ‘Heel veel gebieden werden uit het landbouwareaal gehaald zodat er nog iets van de biodiversiteit en natuur overbleef in Nederland. En dat terwijl genoeg veehouders en akkerbouwers willen meewerken aan het integreren van landbouw en natuur’, aldus Prins.

Een bijzonder relict

Het was met andere woorden zaak om boeren die natuurinclusieve landbouw wilden bedrijven, goed te betrekken bij gebiedsontwikkelingen die de twee werelden wilden koppelen. Een mooi en actueel voorbeeld van zo’n project is het Buijtenland van Rhoon. Dit ongeveer 900 voetbalvelden grote gebied noemt Prins een bijzonder relict dat bewaard is gebleven tussen de uitbreidende stad die inmiddels samenklonterde met omliggende gemeenten als Barendrecht en Rhoon. ‘Het is een klein stukje oud akkerland, zoals het oud cultuurhistorisch landschap er oorspronkelijk uitzag, met daartussen nog enkele weilanden. Je ziet de hele structuur van oude aanwaspoldertjes nog terug met daartussen alle oorspronkelijke slaperdijken.’ Deze dijkjes hebben niet allemaal meer een waterkerende functie, aangezien ze door de terugtrekkende Maas landinwaarts kwamen te liggen. Als recreatieve hoofdstructuur hebben ze daarentegen een uiterst nuttige functie, licht Prins toe. Je kunt er namelijk prachtig over fietsen en zo vanaf hoogte genieten van de uitzichten over het gebied. Daarnaast vormen juist dit soort landschappelijke elementen, samen met de watergangen die er ook in veelvoud liggen, een hele mooie basis om een groen-blauwe dooradering van het gebied te realiseren als basis voor het gewenste biodiversiteitsherstel in het landbouwgebied.

Door uitbreiding van de Tweede Maasvlakte werden de 600 hectaren in Rhoon aangewezen voor natuurontwikkeling en recreatie. Hiervoor werden in eerste instantie vrij traditioneel plannen gemaakt om de zittende akkerbouwers uit te kopen en de polders om te dopen in een natuurreservaat. De zittende akkerbouwers wilden de uitdaging echter wel aan om landbouw en natuur nu eens echt samen met elkaar op te laten gaan in een innovatief gebiedsproces.

Anders dan anders

Een ander uniek element in het plan was om nu eens niet nat moerasnatuurgebied aan te leggen, maar om natuur en landbouw te verweven tot een soort donkergroene versie van landbouw, zoals Prins het noemt. Om vanuit een maximaal draagvlak te werken, werd een gebiedscoöperatie opgericht bestaande uit boeren, natuurorganisaties, recreatieondernemers en geïnteresseerde particulieren. Het Louis Bolk Instituut raakte al in een vroege fase betrokken als verbinder tussen boeren, natuurpartijen en de lokale politiek. Daardoor schreef het, samen met de Vereniging van Nederlands Cultuurlandschap in 2017, mee aan het Streefbeeld waarin de doelen staan geformuleerd waaraan de gebiedscoöperatie werkt. ‘In het Streefbeeld hebben we bewust autonome ruimte gelaten voor de boer. Als je namelijk landbouw en natuur optimaal wilt verweven, moet niet het protocol maar vakmanschap vooropstaan. We hebben daarom geprobeerd de doelen kwantitatief te formuleren en slechts schetsmatig aangegeven hoe je daar kunt komen. Zo houd je ruimte en flexibiliteit in de uitvoering van de plannen.’

Er zijn daarvoor ook compromissen gesloten. Zo is voor de meeste gewassen afgesproken dat geen enkele chemische gewasbescherming mag worden gebruikt, terwijl dit voor andere gewassen wel, maar minimaal, toegestaan is. ‘Boeren hoeven dus niet bioboeren te worden. Het gaat erom dat bijvoorbeeld door het plaatsen van natuurelementen het totale areaal bijdraagt aan de bevordering van biodiversiteit. Bovendien kunnen deze natuurelementen ook een bijdrage leveren aan de natuurlijke plaagbestrijding; een positieve wisselwerking tussen boer en biodiversiteit.’

Kennispartners

Samen met een kennisconsortium bestaande uit de WUR, SOVON, Natuurbalans, VNC en Delphy, doet het Louis Bolk Instituut in het Buijtenland van Rhoon aan lerend beheer. Heupink, die in dit project aanvankelijk startte als stagiair van Prins, houdt zich bezig met het monitoren van de biodiversiteitswaarden in het gebied. Heupink: ‘We monitoren een aantal aspecten in de bedrijfsvoering van de boer waarvan we weten dat deze een grote invloed hebben op de biodiversiteit. Denk hierbij aan de milieudruk van gewasbeschermingsmiddelen, het mestgebruik en de mate van bodembedekking door het jaar heen. Onze bevindingen koppelen we terug naar boeren en we adviseren hen hoe ze hun bouwplan zo kunnen inrichten dat dit de biodiversiteit bevordert. Daarnaast kunnen we deze gegevens koppelen aan de monitoring van de bodemkwaliteit, insecten en vogels in het veld, om zo beter zicht te geven op de knoppen waar een boer aan kan draaien. Bij de aanleg van natuurelementen denken we met de boeren mee over wat het beste in hun bedrijfsvoering past. Een bedrijf met koeien kan best wat kruidenrijk hooiland gebruiken, terwijl bij een akkerbouwer met contacten met lokale brouwers een flora akker met oude brouwgerstrassen goed ingepast kan worden. Boeren zijn inmiddels bezig met de extensivering van hun bouwplan en proberen dus andere gewassen uit. Het is letterlijk lerend beheren wat we met elkaar doen in het Buijtenland van Rhoon.’

Ingebouwde fail safe

Door de goede contacten van Prins en Heupink met de boeren in het gebied en door de gebiedscoöperatie die is opgezet, werd een belangrijke valkuil vermeden. Prins: ‘Door de kloof tussen landbouw en natuur werden er voorheen dingen van boeren gevraagd die zij niet in hun bedrijfsvoering konden inpassen. Eerdere onderzoeksprojecten leerden ons dat je, om natuurinclusief ondernemerschap van de grond te tillen, betrokken ondernemers ook serieus moet nemen. Je moet daarom niet alleen vanuit natuur en natuurmaatregelen afspraken maken, maar ook met elkaar bekijken hoe je daar realistische financiële afspraken aan koppelt.’

Vaak wordt gedacht dat wanneer boeren het allemaal iets slimmer aanpakken en een markt weten aan te boren, er aan natuurinclusieve landbouw wel te verdienen valt. Maar in Prins’ ervaring laat de consument het vaak afweten. ‘Daarom hebben we in ons Streefbeeld een fail safe ingebouwd. We willen weliswaar zoveel mogelijk inkomsten uit de markt laten komen, maar weten tegelijkertijd dat dit een tijdsintensief en ingewikkeld proces is. Daarom willen we de pacht- en beheervergoedingen vanuit de gebiedscoöperatie de financiële basis laten zijn die ervoor zorgt dat de boer niet voor niks werkt. Pas als de markt substantieel gaat bijdragen aan de boterham van de boer willen we de bijdrage uit de pacht- en beheervergoedingen daarop aanpassen.’

Met het Buijtenland van Rhoon werkt het Louis Bolk Instituut mee aan een uniek project dat op doordachte en natuurlijke wijze landbouw en natuur met elkaar verweeft. Zodanig dat niet goed meer zichtbaar is waar natuur ophoudt en landbouw begint, zeggen Prins en Heupink. En daarmee is een andere ambitie aangeboord. ‘Het idee van het duale landschap, harde grenzen tussen natuurgebied en landbouwareaal, heeft zijn tijd gehad. Wat we van het Buijtenland van Rhoon leren, zouden we daarom graag ook uitrollen in andere delen van Nederland. Bodemsoorten en andere natuurlijke omstandigheden mogen dan verschillen, de integrale gezamenlijke aanpak die we in dit project ontwikkelden is een schoolvoorbeeld van hoe je twee voorheen gescheiden werelden met elkaar verweeft. Met het Buijtenland van Rhoon als succesvolle pilot hebben we belangrijke praktijkervaring opgedaan die ook in andere regio’s bruikbaar is.’ 

Meer informatie