Regionale teelt van eiwitgewassen: een boost voor biodiversiteit en bestuivers

Eiwitgewassen dragen bij aan biodiversiteit in het landschap. Ze leveren namelijk een bloeiend gewas gedurende een vrij lange periode, en zijn daarmee een nectar- en stuifmeelbron voor veel insecten. Dat is een leuke bijkomstigheid in de transitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten. Willemijn Cuijpers deed onder andere onderzoek naar het effect van natuurlijke bestuivers, zoals hommels en wilde bijen, op de opbrengst van veldbonen. ‘Onze manier van participatief onderzoek bewijst zijn meerwaarde, we zien keer op keer dat het ook boeren inspireert.’

Het was in 2017, een jaar waarin de veldboon veel last had van schimmelziektes. Het dreigde funest te worden voor de opbrengst in de reguliere teelt, zegt Cuijpers. ‘We hadden dus geen hoge verwachtingen, maar het was ook het jaar dat het ons voor het eerst opviel hoe oorverdovend het geluid van hommels was toen we tussen de bloeiende veldbonen stonden. Dat jaar behaalden we een opbrengst van 7 ton per hectare, wat voor veldbonen op zandgrond heel hoog is. Ergens leek dat niet te kloppen met die hoge schimmeldruk. Zo ontstond vanzelf de vraag welke rol die hommels hierbij gespeeld hadden.’

Zonder en met hommels

Met haar collega’s startte Cuijpers een onderzoek bij een biologische veldbonenteler door kooien met insectengaas over het gewas te plaatsen. In sommige kooien konden geen bestuivers komen en in andere zette ze een kleine hommelkolonie uit. Verder keek ze buiten de kooien naar de natuurlijke bestuiving door insecten die normaliter in een bonenveld rondvliegen. ‘Waar we helemaal geen bestuivers toelieten, verloren we tweederde van de oogst. De eye opener van ons onderzoek was niet dat veldbonen van bestuiving afhankelijk zijn, dat wisten we al langer, maar dat was wel de enorme omvang van het effect van bestuiving op de oogst.’

Om die bestuiving als boer op orde te hebben, moet ook de landschappelijke inrichting faciliterend zijn voor bestuivers. ‘Grootschalige landbouw zoals in de Flevopolder is qua voedingsmogelijkheden voor hommels of wilde bijen een groene woestijn. Ze moeten daar vanuit grote velden vijfhonderd meter tot wel een kilometer vliegen om bij een berm met bloeiende kruiden te komen. Hommels hebben van maart tot oktober bloeiende planten nodig als voedselbron, en daarnaast de mogelijkheid om in de grond hun nest te bouwen. In die bloeiende berm kunnen ze gedijen, maar dat is veel te ver van de velden waarin we die bestuiving nodig hebben.’

Landschappelijke inrichting

Ze wijst vanuit die bevinding dan ook op het belang van een goede landschappelijke inrichting, maar tevens van een goed beheer. Een mooi voorbeeld van een kleinschalig landschap is de Brabantse Peel. ‘Winterveldbonen die in het najaar worden gezaaid en al vroeg in het voorjaar bloeien, krijgen in grootschalige landbouwgebieden vrijwel geen bestuivers op bezoek. In de Brabantse Peel, een gebied met veel houtwallen en struweel waar hommelkoninginnen kunnen overwinteren, vlogen in het vroege voorjaar al heel veel bestuivers rond in de winterlupine die we daar dit jaar voor het eerst – nog experimenteel – telen. In zo’n omgeving profiteren dus ook vroeg bloeiende eiwitgewassen van bestuiving. In andere gebieden die qua klimaat en grondsoort ideaal lijken voor het verbouwen van winterveldbonen, zoals Noordoost Groningen, lopen we tegen een voor bestuivers ongunstige landschappelijke structuur aan.’

Cuijpers’ aanbeveling om dit te veranderen is dat er op landschappelijk niveau veel meer moet worden samengewerkt. ‘Het mes snijdt aan twee kanten als dit niet alleen op het bordje van boeren belandt, maar als ook waterschappen en gemeenten hun berm- en slootkantbeheer zodanig gaan verzorgen dat bestuivers in een gebied hun werk kunnen doen.’ Gerichter beheer zorgt voor jaarrond voedselaanbod, en is een stimulans voor niet alleen wilde bijen, maar ook insecten die voor natuurlijke plaagbestrijding zorgen. Cuijpers: ‘Zweefvliegen, lieveheersbeestjes en soldaatjes zijn natuurlijke vijanden van luizen. Zij kunnen luizenpopulaties op landbouwgrond onder controle houden, wat weer helpt om de terugdringing van insecticidengebruik, waar veel boeren al mee bezig zijn, een duw in de rug te geven.’

Met teeltervaring in een gewas bouwen boeren vertrouwen op om meer natuurinclusief te ondernemen en natuurlijke processen zoveel mogelijk te ondersteunen. Cuijpers onderstreept juist daarom het belang van kennisuitwisseling en -ontwikkeling met boeren samen. ‘Wij ontwikkelen op verschillende fronten kennis op gebied van natuurinclusief telen. Maar dat gebeurt niet alleen door onderzoekers, maar in een uitwisseling met de boer op zijn of haar eigen bedrijf. Uiteindelijk krijgt het praktisch vorm in bijvoorbeeld een hand-out over schadedrempels van luizen. Wat zijn hun natuurlijke vijanden en hoeveel zijn er nodig om een plaag op natuurlijke wijze te onderdrukken, zonder gebruik van insecticiden? En mocht ingrijpen toch nodig zijn, welke middelen zijn dan het minst schadelijk?’

Ervaringskennis boeren onmisbaar

Op verschillende plekken in het land liggen momenteel praktijkproeven met eiwitgewassen. Voor Cuijpers is dat de beste plek om kennis op te bouwen, en een uitwisseling van ervaring tussen boeren en onderzoekers vorm te geven. ‘Het voordeel van onderzoek op een praktijkbedrijf, is dat je alleen zaken neerlegt die de boer zinnig vindt en dat er geteeld wordt op een manier die relevant is voor de praktijk. De kennis die je daarmee opdoet, is dus direct herkenbaar en inpasbaar. ’

Bij die nauwe en gerichte samenwerking die kenmerkend is voor het Louis Bolk Instituut, is de boer een belangrijke pijler onder het succes, besluit Cuijpers. ‘Wij hebben toegevoegde waarde met onze kennis en expertise over natuurinclusief telen en plaagbeheersing, maar boeren bezitten ervaringskennis. Die is van onschatbare waarde en die waardeer en benut je veel meer als je op een participatieve manier onderzoek doet.’ 

Meer informatie

Bekijk het profiel van Willemijn Cuijpers voor meer informatie over haar publicaties en expertise, of om vrijblijvend contact met haar op te nemen.